Het ontstaan en de evolutie van Wortel-Kolonie is nauw verbonden met de geschiedenis van Merksplas-Kolonie. Gedurende vele jaren vormden de beide domeinen zelfs één landloperskolonie.
Na het succes van de landloperskolonie in Drenthe kreeg Johannes Vanden Bosch de opdracht om een gelijksoortig project te starten in de Zuidelijke Nederlanden. Zo kwam hij terecht op de grote heidevlakten ten oosten van Wortel, waar hij zijn oog liet vallen op een gebied van 516 ha. In dit gebied lagen verschillende vennen, zoals de Gorvennen, het Donckven, het Balven, het Lanckven en het huidige Bootjesven. Van de Hertog van Salm-Salm en bankier Hennesy kocht hij 213 ha grond. De overige 303 ha was eigendom van de gemeente Wortel. Het gemeentebestuur ging pas akkoord met de verkoop, nadat het door een Koninklijk Besluit daartoe werd gedwongen.
In 1822 startte men met de ontginning van de heidegronden. Er werden dreven aangelegd in een dambordstructuur. Op het kruispunt van de hoofddreven werd een soort ruitvormig pleintje gemaakt voor "Les quatre bâtiments", nl. de woning van de directeur, een lagere school, een magazijn en een bedrijfsgebouw met onder meer een spinnerij.
In Wortel kwam de zgn. "Vrije Kolonie" en in Merksplas de "Onvrije Kolonie". In "Kolonie 1" (316ha), ten noorden van de dreef langs dit pleintje, zouden 72 boerderijtjes worden gebouwd, elk met 3,5 ha grond en in "Kolonie 2" zou men nog eens 58 hoevetjes bouwen. Deze kleine hoeven waren eenvoudige stenen gebouwtjes (van 7,4m x 14m), zonder verdieping, met een dak in stro. Naast een gemeenschappelijke huiskamer met open haard waren er nog drie slaapkamers, een kelder en een houten schuur. Deze rechthoekige gebouwen stonden aan weerszijden van de dreef, met de gevel naar de dreef gericht. In november 1822 waren er al 25 hoevetjes klaar, in juni 1823 stonden er 45 en vier jaar later waren er 129 beschikbaar.
Zodra deze gebouwen bewoonbaar waren, schreef de Maatschappij een brief naar de Belgische steden en gemeenten om voor bewoners te zorgen. Eind oktober 1822 namen de eerste noodlijdende families hun intrek in deze hoevetjes. In 1822 verbleven er 151 kolonisten, in 1823 waren er al 406 en in 1829 zat men op een maximum van 636 bewoners.
Het was de bedoeling dat deze bewoners door hun "noeste arbeid" hun gezin in de levensbehoeften konden voorzien, maar ook dat zij in staat zouden zijn om jaarlijks een zekere vergoeding te betalen, zodat ze op de duur als zelfstandige boer verder konden werken, om zo uit de vicieuze cirkel van armoede en ellende te ontsnappen. Maar gans dit plan mislukte. De meeste gezinnen die in Wortel werden geplaatst, kwamen uit de steden en hadden geen notie van en geen belangstelling voor de boerenstiel. Er was ook weinig begeleiding. Bovendien waren de Belgen het niet eens met de progressieve ideeën van de Hollanders. Vanaf 1828 verloren de gezinnen hun zelfstandigheid. Ze moesten vanaf dan in loondienst werken voor de Maatschappij van Weldadigheid.
In 1830 werd België onafhankelijk. In Wortel-Kolonie werd de oogst vernield en de bevolking van de Kolonie kwam in opstand, hierin aangemoedigd door de burgemeester van Wortel die de gedwongen verkoop nog steeds niet was vergeten. Vele bedelaars sloten zich aan bij het Hollands leger of bij de opstandelingen, nadat ze eerst de hoeven in brand hadden gestoken. Dat was de doodsteek van het "Hollands project". De Maatschappij van Weldadigheid bleef nog wel bestaan, maar een en ander was praktisch niet meer werkbaar. Toen het contract in 1841 afliep, weigerde de Belgische staat om de beide domeinen te kopen. De Maatschappij werd ontbonden. De laatste kolonisten werden terug- gebracht naar hun oorspronkelijke gemeenten, of ze werden onder-gebracht in kloosters of bij landbouwers. De schuld-eisers eisten een openbare verkoop. Prins Frederik, de voornaamste schuldeiser, was hiermee niet akkoord en kocht in 1846 zelf de domeinen van Wortel- en Merksplas-Kolonie voor 400.000 frank (10.000 Euro).
In de onzekere tijd die daarop volgde, verdwenen alle hoevetjes van Wortel-Kolonie steen voor steen. Op het terrein is van deze gebouwtjes niets meer merkbaar.