de kapel

Een Kempense gevangeniskapel

Aan de Kapeldreef, een hoofddreef met vier rijen zomereiken, prijkt de kapel van Merksplas Kolonie. Links en rechts van de hoofdingang houden twee reusachtige lindebomen de wacht. Dit zijn de "vredesbomen" die kort na de eerste wereldoorlog werden geplant. Deze kapel is niet zomaar een kapel, maar in heel wat opzichten verbonden met de gevangenis. We denken hierbij vooral aan de inplanting, aan de inrichting en aan het gebruik. In de navolgende tekst zal dat worden verduidelijkt.

Deze kapel is één van de vijf beschermde gebouwen op het grondgebied van Merksplas Kolonie. Ze werd in 1899 gebouwd door architect Victor Besme. Net als de andere gebouwen op het domein is de kapel eigendom van het ministerie voor Ambtenaren, afdeling Regie der gebouwen.

De plaats van de Kapel is heel bijzonder: de aslijn van de kapel, de vier gebouwen van het Centrum voor Illegalen, het gebouw van de strafinrichting en het gasthuis (achter de strafinrichting) is hetzelfde. Dat betekent dat het hoofdkoor van deze kapel zich niet richt naar het oosten, zoals dat doorgaans het geval is bij kerken en kathedralen. Het voordeel van deze bouwinrichting was dat de opkomende zon haar lichtstralen doorheen het grote glasraam liet vallen, zodat het altaar tijdens de vroegmis al redelijk verlicht was. Maar voor de kapel van Merksplas Kolonie was dat dus niet het geval.

Een uniek staaltje architectuur

De toren van de kerk is typisch Kempens: een geblokte toren opgetrokken in baksteen. Hij bestaat uit drie delen. Onderaan herkent men een vierkante blok met daarop een achthoekig bovendeel. Ook de torenspits is achthoekig.

In de voorgevel, op de halve hoogte van de toren prijkt een Belgische Leeuw in het kruis, mogelijk omdat de Belgische staat de opdrachtgever was: versmelting van kerk en staat. De kapel is toegewijd aan O.-L.-Vrouw-Hemelvaart, die te zien is in het halfreliëf boven de ingang, ook "boogveld" genoemd. Men ziet er moeder Maria gezeten in de zetel der wijsheid, de "sedes sapientiae", uitgevoerd in witte kalksteen.

De hoofdingang is geconstrueerd in rondzuilen met teerlingenkapiteel. Hiervoor werd blauwe hardsteen (arduin) gebruikt uit Ecaussines in Henegouwen. Halfweg de kolom bemerkt men een kruisje. Dit wijst erop dat deze kapel officieel gewijd is, hetgeen gebeurde op 25 december 1899 door de kardinaal van Mechelen.

Ook de sierplaten tegen de onderzijde van de buitenmuur komen uit deze leisteengroeve. Het zijn meestal uitgezochte stukken. Het aanbrengen van de sierlijnen in de kolommen en platen gebeurde met de zogenaamde "Frein-slag". Door middel van een beitel met puntjes worden de sierlijnen deeltje voor deeltje manueel gekapt. Aan de rand veranderde men meestal van richting. Daaruit kan je ook de breedte van de beitel afleiden. Vaak liet de steenkapper zijn initialen na, maar die zijn in deze kapel nog niet ontdekt.

Zowel het ontwerp als de uitvoering van het metselwerk was kwalitatief hoogstaand. Dat merk je bijvoorbeeld aan de ramen: de afmetingen van de vensters zijn precies een veelvoud van de baksteenmaat.

Voor de buitenmuren werd "handvormbaksteen" gebruikt. De onregelmatige steenvorm werd steen voor steen gecorrigeerd met de wortelspecie van het voegwerk. Deze voeg ligt dan weer verzonken (bij andere gebouwen uit die tijd legde men soms de voeg bovenop.) Men spreekt hier van een "knipvoeg". Om de kleurverschillen tussen de steen en de wortelspecie weg te werken, werd elke steen apart (en niet de voeg) bijgeschilderd met een rode verf van ossenbloed en andere "ingrediënten" op basis van water. Verrassend is dat deze verkleuring na een eeuw nog steeds zichtbaar is.

De zwarte stenen zijn niet geschilderd. De zwarte kleur is het resultaat van het zgn. reducerend stoken waardoor het ovenroet op de steen neerslaat. Daardoor wordt de steen niet alleen zwart, maar ook heel sterk en meer waterbestendig.

Architect Besme paste bij het ontwerpen de techniek van "steenpolychromie" toe, waarbij hij op decoratieve wijze gebruik maakte van de eigen vormen en kleuren van de materie. Daarmee maakte hij dan speciale profielen, wat resulteerde in "blindnissen" of "hangende nissen" in de voorgevels van het kerkschip naast de toren, of in een rand van zwarte "muizentandjes"onder de dakgoot.

Bijzonder en uniek aan deze kapelconstructie is de toepassing van de zgn "lichtstraat" over de volledige lengte van de nok. Daardoor krijg je wel een bijzonder grote lichtinval. Binnen de kapel is het effect hiervan zeer duidelijk zichtbaar.

Een zaalkerk met een byzantijns trekje.

 Het interieur van de kerk is merkwaardig en zeldzaam. Ze geeft een Byzantijnse indruk. Het kerkgebouw behoort tot de "ecletische stijl", waarmee men de waardevolle elementen uit de vroegere bouwstijlen combineert met de modernste technieken. De kapel van Merksplas is een combinatie van neo-romantiek met een vakwerk boogspanten van staal welke rusten op gietijzeren kolommen vlak naast de buitenmuur. Hierdoor onstaat een zgn. "zaalkerk". In deze kerk ziet men dus geen pilaren of zijbeuken. De volledige breedte van 16 meter is overspannen door een staalconstructie, zoals dat in de periode van Horta mode was.

Om voldoende licht te hebben in de kapel werd de nok van het dak verhoogt met een zogenaamde "lichtstraat". Dit was in die tijd een gedurfde constructie. Het gewicht van het dak en sterkte van het gebouw werden vooral bepaald door de stalen constructie, waardoor het mogelijk was om met een open nok te werken. Hierdoor ontstaat een verrassende lichtinval (thans is deze aan de binnenzijde afgedekt.)

De binnenmuren van de kapel zijn niet bezet of geschilderd, maar tonen een speelse uitvoering van rode en gele bakstenen. Er werd alleen machinesteen gebruikt, wat men ziet aan de perfecte rechthoekjes met gladde wand. Ook hier werd er gespeeld met de naturrlijke vormen en kleuren. Deze steenpolychromy was een voorloper van de art deco. Het metselwerk gebeurde met een witte kalkmortel, maar werd nadien ingevoegd met een donkere cement. Aan de onderzijde van de muren werd een donkere natuursteen gebruikt, heel glad gepolierd, alsook een witte marmer. De vloer in cementtegels laat een mozaiek zien in een geometrisch patroon.

Aan de muren hangen nog de withouten kaders van de kruisweg, maar het halfreliëf in witte plaaster is verdwenen.

Heeft deze kerk geen zijbeuk? Op het eerste gezicht niet, maar deze zit verstopt achter de grote scheidingsmuur vooraan in de kapel. Maar gelukkig staan er deuren in de muren zodat je een bezoekje kan brengen.

Centraal in deze ruimte, op de plaats waar nu de moderne lichte vloertegels liggen, stond vroeger het altaar op een verhoog.

Het voormalige koor werd uitgevoerd als een zgn. pseudotransept.

De kruisribgewelven worden bij elkaar gehouden door een trekstang, die op decoratieve wijze wordt geïntegreerd in het geheel.

Daar ziet men ook nog mooie muurschilderingen met bijbelse taferelen. In feite zijn het geen "muurschilderingen". Maar een schilderij in hout op een ronde of halfronde vorm. De rode draad doorheen de thema's is duidelijk "O.L.Vrouw", de patrones van de kapel. De stijl van het schilderij wordt "academische neogotiek" genoemd.

De ramen zijn gemaakt van ijzer en voorzien van een rondboog. De kunstglasramen waren blijkbaar uitgevoerd in gehamerd glas. De buitenzijde is samengesteld uit gekleurd glas van rrod, blauw en groen, ingelegd in lood. Het middendeel werd uitgevoerd in grisaille. Dit is een techniek waarbij men met een grijze verf een tekening aanbrengt op het glas, dat daarna wordt ingebakken.

Bij het roosvenster achter het voormalige altaar bemerkt men nog resten van een figuur. Vermoedelijk gaat het hier om een reparatie met koudverf, zonder dat deze werd ingebakken. Dat is mooi in het begin maar niet duurzaam.

In de kruisbeuken waren vroeger zitplaatsen voorzien voor de gelovige landlopers. Deze werden in de gaten gehouden door bewakers, volgens een vroegere aalmoezenier zelfs gewapend. Deze bewakers stonden op een verhoogde uitkijkplaats halfweg de kapel, op het balkon boven de zij-ingang van de kapel.

Sinds een tiental jaren wordt dit gebouw niet meer als kapel of als kerk gebruikt. De kapel is nu in twee ruimten verdeeld. De grote ruimte in de kapel wordt gebruikt als zaal horend bij het gemeenschapscentrum en de ruimte achter de scheidingsmuur voor tafeltennis.  

De kapel, volledig onderkelderd.

Er zijn weinig kerken of kapellen met een kelder. Sommige hebben misschien een kleine kelder. Andere oudere kerken of kathedralen hebben in de benedenverdieping een crypte of een restant van een eerste kerk of kapel.

Deze kapel van Merksplas-Kolonie is volledig onderkelderd. En dat is heel wat want de buitenafmetingen van de kerk zijn 70 meter op 27 meter. In het totaal gaat het dus om bijna 900 m2

De vrij lage zoldering van de kelder is gewelfd, volgens de techniek van het "trog-gewelf", zo genoemd vanwege de trogvorm, een heel stevige constructie. In het huidige centrum voor illegalen, waar deze troggewelven ook aanwezig zijn, werd de sterkte getest met een gewicht van 23 ton per m2. De doorbuiging bedroeg amper 1 cm. op 400 d.w.z. 1 cm. doorbuigen voor een gewelf van 4 m. lang.

Aan de buitenzijde ziet men ook de grote en stevige fundamenten waarop de bovenbouw rust, met inbegrip van de gietijzeren kolommen van de kapel, waarop dan weer heel het dakgewicht op terechtkomt.

Deze kelders werden destijds gebruikt als voorraadkelders, in de aanvang wellicht voor het bedelaarshuis en later voor de strafinrichting, maar ook voor de bewoners. Hier werden onderandere rode en witte kolen en wortelen bewaard, afkomstig van de groentetuinen van het gesticht, links en rechts van de kapel.

Gans de ruimte is verdeeld in compartimenten. Op sommige plaatsen bemerkt men nog de plaatsen van de poorthengels. Oorspronkelijk was de kelder bereikbaar via drie deuren: een kleine deur links en rechts van het schip en een grote dubbele poort aan de achterzijde van de kapel. Daar is ook nog een hellend vlak, langswaar men met kruiwagens, maar mogelijk ook met paard en kar de kelders kon bevoorraden. Vroeger waren alle compartimenten van de kelder langs binnen bereikbaar. Nu heeft men sommige openingen dichtgemetst.

Pekelvaten in de kelder van de kapel.

Deze kelder is heel droog, met een constante themperatuur. Ook in het najaar van 1998, toen er heel wat overstromingen waren in de kempen door de aanhoudende regen, bleef deze kelder kurkdroog.

Onder het altaar staan er nog genummerde pekelvaten.

Gedurende enkele jaren was er in de kelder nog een schietstand voor bewakers.


De kapel, het toekomstig gevangenismuseum.

In de kelders van deze kapel komt er een gevangenismuseum, dat het verhaal zal vertellen van de vrijheidsberoving.

In de middeleeuwen vloog men enkel in de gevangenis tijdens het vooronderzoek. Na het vonnis onderging de betichte een lijfstraf of een verbanning. Soms werd hij op bedevaart gestuurd naar Compostella of kon hij zijn straf afkopen. Vanaf circa 1750 wijzigde die mentaliteit. In plaats van "oog om oog en tand om tand" zocht men naar meer menswaardige manieren om iemand te straffen. Daarom werd de vrijheidsberoving zelf als straf gezien.

Maar dan had men gevangenissen nodig waar gedetineerden lange tijd konden verblijven. Daardoor kende men een hele evolutie in het comfort van de strafcellen. Ondertussen ontstond ook het idee van heropvoeden. Dit evolueerde van rasp- tot spinhuizen, via dwangarbeid tot echte herscholing. De ideeën van de belgen Vilain IX en Ed. Ducpétiaux waren medebepalend voor de aanpak in de westerse wereld.

Ook vele nevenaspecten zullen aan bod komen zoals bv veiligheid, censuur, comfort, hygiëne, voeding, uniformen, opvoeding, cultuur, enz.

De rode draad door het museumverhaal is:

  • De historische evolutie van afwijkend gedrag.
  • De vroegere en de huidige werking van het justitieel apparaat(politie, rechtbanken)
  • De vrijheidsberoving als straf en als bescherming van de maatschappij.
Een deel van de kelderruimte wordt gebruikt voor de (voortdurend groeiende, bijna permanente tentoonstelling "In Verzekerde Bewaring". Hierbij komen aan bod:
  • Het basisverhaal over vrijheidsberoving in België
  • Het ontstaan en de evolutie van de landloperskolonies in de noorderkempen. 

Dia show

Merksplas Kolonie Kapel Postkaarten