De begraafplaats

Achter het VIPK, vlakbij de ringgracht ligt de begraafplaats van de gedetineerden, allemaal kleine witte kruisjes. Je wandelt er binnen via een grote ijzeren poort, bovenaan getooid met een gestilleerde granaatappel, een funerair symbool dat aangeeft dat je de "onderwereld" betreed. Binnen op dit perceel zie je ook binnendreefjes met levensbomen, in de vorm van een kruis.

Op het oudste deel van deze desolate dodenakker staan nog de kruisjes van de landlopers. De enige vorm van identificatie is een loden plaatje op de zij-arm van het kruisje, met daarin een volgnummer. Deze arme stakkers werden dus "als een nummer begraven". Sommige graven tonen meer sporen van emotie, hetzij omdat er (door de familie) een naamplaatje werd aangebracht of omdat er bloemen werden gepland.

Tijdens de eerste wereldoorlog was er ook nog een kerkhof aan de overzijde van de baan, speciaal voor slachtoffers van besmettelijke ziekten, zoals de Spaanse griep, typhus, tering, enz. De dode lichamen werden rijkelijk met kalk bestrooid, en het was ten strengste verboden op dit kerkhof te komen.
Op de beide begraafplaatsen werden de gebruikelijke witte kruisjes gezet, destijds zonder naam, soms met een nummer. Als het laatste graf gebruikt was, begon men weer van voor af aan.

Zo ontstond ook het verhaal van de zwevende kruisjes: tijdens de bezetting in de eerste wereldoorlog werden de gebouwen van de weldadigheidskolonie gebruikt als opvangcentrum voor krankzinnige en zieke mensen, vanuit Duffel, Doornik, Brugge, Premontre, enz. Op het einde van de oorlog brak er de Spaanse griep uit. Dat is niet verwonderlijk bij deze zieke en verzwakte mensen. Gedurende een aantal weken stierven er 50 mensen per dag. De beschikbare ruimte op het kerkhof was niet voldoende. Op enkele dagen of weken was men weer bij de eerste kruisjes. De kruisjes stonden niet meer stil, maar leken te zweven.